Het is een warme avond eind mei, ergens in een boomgaard tussen Beesd en Rumpt. Een mannetje van de fruitmot, een onopvallend grijsbruin nachtvlindertje, zoekt maar één ding: het geurspoor van een vrouwtje. Normaal is dat een dunne draad in de lucht, en aan het eind van die draad wacht de volgende generatie: de rupsen die in augustus de appel van binnenuit opeten. Maar vanavond ruikt de hele boomgaard naar vrouwtje. Links, rechts, boven, onder. Hij vliegt, zoekt, vliegt nog een rondje. Wie overal ruikt, vindt niemand.

Dat is geen gedicht, dat is gewasbescherming. Het heet verwarringstechniek, en het is een van de weinige middelen in de fruitteelt die niets doodt.

Drie nieuwe namen in het register

Op 2 september meldde Nieuwe Oogst dat het Ctgb, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zeven nieuwe middelen had toegelaten. Drie daarvan gelden voor de teelten die het landschap van West Betuwe bepalen: Mister C voor appels en peren, Mister C LR voor de pitvruchtenteelt en Isomate C LR MAX TT voor appels, peren, steenvruchten en zoetzure kersen.[1] Het bericht noemt ze in één adem met andere insecticiden, en formeel klopt dat: alles wat een insect bestrijdt, gaat in dezelfde la.

Toch zal de naam Isomate oudere fruittelers bekend voorkomen. Onder die merknaam hingen telers in de provincie Utrecht vanaf 2007 feromoondispensers in hun bomen: kleine bronnen die de lokstof van het fruitmotvrouwtje langzaam afgeven, zodat de mannetjes de echte vrouwtjes niet meer terugvinden. De onderzoekers die het project volgden, schreven in 2011 in het vakblad De Fruitteelt dat de spuitschema's van de deelnemende telers elk projectjaar effectiever, goedkoper en schoner waren dan het standaardadvies, en dat de feromoonverwarring daarvoor onmisbaar was. Hun conclusie: Utrecht kon een voorbeeld zijn voor de hele Nederlandse fruitteelt.[2]

Dat is vijftien jaar geleden. De vraag is dus niet meer of het werkt. De vraag is wat ervoor nodig is om het in elke boomgaard langs de Linge vanzelfsprekend te maken.

Een geur werkt alleen als iedereen hem draagt

Het mooie van de techniek is ook haar zwakte. Een geurwolk houdt zich niet aan perceelgrenzen. Hangt één teler dispensers op en zijn buurman niet, dan waait de lokstof aan de randen weg en vliegen bevruchte vrouwtjes van naast de deur gewoon naar binnen. Het Wageningse Praktijkonderzoek Plant & Omgeving schreef al in 2002 dat de techniek "alleen effectief" is "wanneer een groot areaal wordt behandeld", en dat hij niet werkt als er al veel motten zijn.[3] Een strategieadvies uit 2010 raadt telers een perceel van minimaal een hectare aan, extra dispensers aan alle randen en een kritische blik op de omgeving: waar komen de motten vandaan?[4]

Met andere woorden: verwarringstechniek is niet alleen een product dat je koopt, het is een afspraak die je maakt. De techniek beloont de straat, niet de enkele teler. Wie drie hectare heeft tussen twee buren die het niet doen, draagt de moeite en ziet maar een deel van het resultaat. Dat is geen karakterfout van die teler. Het is een klassiek samenwerkingsprobleem, en zulke problemen lossen zich zelden vanzelf op.

Voor wie naast een boomgaard woont, telt nog iets anders. Een dispenser in de boom is geen spuitwolk over de schutting. Het Vlaamse subsidieloket noemde een vermindering van twee tot drie bespuitingen per seizoen "realistisch als de techniek consequent wordt toegepast".[5] Twee of drie keer minder de spuitmachine langs de achtertuin. Dat is geen wereldverbetering, maar wel een zaterdag waarop de was gewoon buiten kan hangen.

Wat Vlaanderen deed, en wat hier kan

Vlaanderen trok daar een praktische conclusie uit. Fruittelers die zich voor vijf jaar verbonden aan de verwarringstechniek, kregen 210 euro per hectare per jaar, op voorwaarde dat de dispensers onafgebroken hingen van 15 mei tot en met 15 september.[5] Geen verbod, geen ultimatum: een bijdrage voor wie de stillere route kiest. Sinds het najaar van 2021 nam Vlaanderen geen nieuwe verbintenissen meer aan. Ook een goede regeling heeft dus onderhoud nodig.

Nederland heeft sinds deze zomer iets waar zo'n regeling in past: het Hoofdlijnenconvenant Toekomstbestendige Gewasbescherming. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten tekende in juli, de provincies sloten zich in september aan, met de belofte zich in te zetten voor "een aanmerkelijke verlaging van milieubelasting".[6] Mooie woorden zoeken een eerste concrete toepassing. Hier is er een die geen nieuwe wet vraagt en niemand tot tegenstander maakt.

Drie stappen voor het college en de raad van West Betuwe:

Het mannetje van de fruitmot wordt niet verslagen door de sterkste teler, maar door een hele polder die dezelfde geur draagt. Voor beleid geldt hetzelfde: wie overal een beetje iets probeert, bereikt niemand. De dispensers moeten half mei hangen. Dat is over zeven maanden, precies lang genoeg voor één raadsvoorstel.