Eind januari 1995 stond de Rijn bij Lobith op 16,68 meter boven NAP, bijna vijf meter boven de bovengrens van wat daar normaal is. Bij Ochten, een paar dorpen stroomopwaarts van Ophemert, begon de Waaldijk te schuiven en sjouwden honderden militairen zandzakken om hem op zijn plek te houden. Ruim 250.000 mensen verlieten hun huis, met ongeveer een miljoen dieren.[1] De dijk hield. En toch deed niemand daarna alsof het probleem daarmee was opgelost. Er kwam een programma dat letterlijk Ruimte voor de Rivier heette.
Dat is wat voorzorg is, in de taal van het rivierengebied. Je bouwt de dijk voor het water dat nog niet is gekomen. Je vraagt de rivier niet eerst om het bewijs te leveren dat het water erdoorheen kan.
Een wetsvoorstel dat overbodig werd verklaard
Vorige week verscheen een Kamerbrief die in het rivierengebied meer aandacht verdient dan hij kreeg. Staatssecretaris Annet Bertram van Infrastructuur en Waterstaat maakte bekend dat het kabinet een wijziging van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden niet opnieuw indient. Het voorstel uit 2021 moest drie dingen regelen: een stevige wettelijke basis voor het verbod op professioneel gebruik buiten de landbouw, de bevoegdheid om gebruik door particulieren te beperken, en regels voor het spuiten in uiterwaarden en andere buitendijkse gebieden. Volgens de staatssecretaris is dat allemaal "juridisch en inhoudelijk overbodig geworden".[2]
Voor een deel is dat te volgen. De Hoge Raad stelde vast dat de wettelijke basis voor het verbod buiten de landbouw er wel degelijk al was. Tuincentra en bouwmarkten beperkten de verkoop van glyfosaathoudende middelen al fors, en sinds 2022 zijn die middelen voor particulieren niet meer te koop. Gedragsverandering zonder wet, dat mag gezegd worden.
Maar het derde punt is van een andere orde. Waarom de uiterwaarden in dat voorstel stonden, legde de regering in 2021 zelf uit: middelen die daar worden toegepast "kunnen gemakkelijk in oppervlaktewater geraken".[3] Een uiterwaard is geen gewoon stuk land. Het is het stuk grond dat de rivier in natte winters terugleent. Wat er in de zomer wordt gespoten, kan in de winter in de Waal staan. Daarvoor is nu geen landelijke regel meer op komst. Sinds de invoering van de Omgevingswet, schrijft de staatssecretaris, beschikken overheden al over voldoende instrumenten om waterkwaliteit en volksgezondheid in zulke gebieden te beschermen.
Dat kan waar zijn. Maar een instrument in een la is nog geen dijk.
Voorzorg staat al in de wet
Diezelfde week, op 22 september, hield de Eerste Kamer een deskundigenbijeenkomst over het voorzorgsbeginsel. Burgerorganisatie Meten=Weten stuurde een position paper in en Henk Baptist beantwoordde namens de organisatie vragen van senatoren. De kern van hun inbreng: het Ctgb, het college dat in Nederland over de toelating van bestrijdingsmiddelen beslist, houdt zich niet aan het voorzorgsbeginsel zoals de wet dat daarvoor formuleert, namelijk geen schade aan mens of dier. Daarom, zo stellen zij, heeft de rechter al meermaals geoordeeld dat er risico's zijn en dat er maatregelen nodig zijn.[4]
Dat is geen activistische uitvinding. De Europese verordening die de toelating regelt, begint ermee: haar bepalingen berusten op het voorzorgsbeginsel, en lidstaten mogen dat beginsel toepassen wanneer er wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de risico's voor gezondheid of milieu. Het Europese Hof van Justitie bepaalde in april 2024 bovendien dat nationale toelatingsinstanties moeten werken met de meest recente wetenschappelijke kennis, ook als een stof in Brussel al is goedgekeurd.[5]
Zie hier de merkwaardige omkering. Bij water beginnen we met de vraag wat er mis kan gaan, en daar bouwen we op. Bij bestrijdingsmiddelen wordt ook vooraf getoetst, maar wat onzeker blijft, belandt later bij de omwonende, het waterschap of de rechter: die mogen dan aantonen dat het misging. Het is alsof we de dijk pas ophogen als er een dorp onder water heeft gestaan.
De la ligt nu in Geldermalsen
Door het afblazen van de wetswijziging is de vraag niet verdwenen, alleen verhuisd: van Den Haag naar het gemeentehuis. Als de Omgevingswet volgens het kabinet genoeg instrumenten biedt, dan liggen die instrumenten ook in West Betuwe, met zijn uiterwaarden bij Haaften, Varik en Ophemert.
Dat maakt de vraag voor de gemeenteraad heel concreet. Een raadslid kan het college schriftelijk vragen welke instrumenten de staatssecretaris precies bedoelt, en of West Betuwe van plan is ze te gebruiken voor de uiterwaarden langs de Waal. Is het antwoord ja: in welk deel van het omgevingsplan, en wanneer? Is het antwoord nee: wie beschermt die gronden dan wél, nu Den Haag ervan afziet? En omdat de Waal zelf rijkswater is, beheerd door Rijkswaterstaat, mag het college dezelfde vraag gerust terugleggen bij het ministerie dat de wetswijziging net afblies.
In 1995 hoefde niemand aan de Waal uitgelegd te krijgen dat je niet wacht op het bewijs. Het zou mooi zijn als die kennis ook in de raadszaal werd toegepast.