Begin mei werd op twee locaties in Nederland een groep dode zwaluwen aangetroffen. Tientallen exemplaren, op de grond of op de bodem van nesten. Toxicologen van Wageningen UR onderzochten de kadavers op bijna 650 pesticiden en vonden hoge concentraties permethrine en tetramethrine — op de veren, in de hersenen, maar nauwelijks in de maag of lever.[1]
Dat laatste detail is veelzeggend. Als een dier vergiftigd raakt via voedsel, is de maag de eerste plek waar dat zichtbaar is. Dat die hier leeg bleef, wijst op een andere route: inhalatie of huidcontact. De vogels hadden de stoffen letterlijk ingeademd of via hun veren opgenomen, niet opgegeten.
Beide insecticiden waren op het moment van gebruik legaal toegelaten. Beide stonden in de officiële Europese beoordeling als "niet schadelijk voor vogels". De beoordeling klopte — maar alleen voor een blootstelling via voedsel. Dat vogels ook inademen, en dat bestrijdingsmiddelen via drift door de lucht reizen, was nooit onderdeel van de toelatingsprocedure. De test miste het raam.
De test die het raam vergat
Het Europese systeem voor pesticidentoelating werkt met vaste protocollen. Voor vogels geldt: je test of de stof dodelijk is als een vogel erdoor besmet voedsel eet. Dat is het ijkpunt. Andere blootstellingsroutes — inademen van spuitnevel, contact met behandeld gebladerte, zitten op een bespoten tak — worden niet systematisch meegewogen.[2]
Dit is geen fout van één ambtenaar of één bedrijf. Het is een structurele lacune die decennialang is ingebakken in het systeem. Pesticiden worden toegelaten op basis van het bewijs dat beschikbaar is, en het beschikbare bewijs dekt nu eenmaal niet alle manieren waarop een dier aan een stof kan worden blootgesteld. Wie ontbrekend bewijs afwezig bewijs noemt, kan van elke stof zeggen: "niet aangetoond schadelijk voor vogels."
Vogelbescherming Nederland roept nu op tot herziening van de toelatingsprocedure, specifiek voor blootstelling via inhalatie en huidcontact. Van alle Europese vogelsoorten die op of rond landbouwgrond leven (boerenlandvogels), geldt voor meer dan 80% dat hun populatie daalt in gebieden waar meer bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. De correlatie is negatief: meer pesticiden = minder vogels van die soort.[1] Of dat via voedsel, via drift of via beide routes gaat, is voor de vogel irrelevant. Voor de toelating kennelijk niet.
Wat in de Betuwe door de lucht waait
Drift is geen randverschijnsel. Het is inherent aan hoe bestrijdingsmiddelen in de fruitteelt worden toegepast: een rijdende spuitboom, wind, fijne druppels die langer in de lucht hangen dan beoogd. Onderzoek toont aan dat bij fruitteelt een deel van de spuitvloeistof de beoogde percelen verlaat, afhankelijk van windsnelheid, spuittechniek en gewashoogte.[3]
In West Betuwe liggen woningen, schoolpleinen en speeltuinen soms op enkele tientallen meters van boomgaarden. Dezelfde boomgaarden die in een intensief seizoen tientallen keren worden bespoten. Wat er precies door die lucht waait, is — zoals we eerder schreven — niet publiek geregistreerd. Maar de vraag of de Europese beoordeling van die stoffen de juiste routes meeweegt, is na de zwaluwsterfte een stuk urgenter geworden.
De gemeente Peel en Maas stelde begin mei als eerste een eigen afwegingskader vast voor spuitzones, bij gebrek aan nationale wetgeving. Zij hanteert als uitgangspunt vijftig meter — op basis van de voorzorgslijn die de Raad van State aanhoudt.[4] Dat is lovenswaardig, maar het lost niets op aan de blinde vlek in de toelatingsprocedure zelf. Vijftig meter beschermt niet tegen een insecticide waarvan pas achteraf blijkt dat het ook via de lucht dodelijk is.
De paradox van de veiligheidsmarges
WUR-onderzoekers en RIVM werken aan nieuwe richtlijnen voor spuitzones, waarvan de resultaten in juli worden verwacht. Er zijn aanwijzingen dat vijftig meter bij fruitteelt te weinig kan zijn.[5] Intussen blokkeren die vijftig meter al de bouw van tienduizenden woningen in meer dan veertig gemeenten — een patstelling die zowel de woningmarkt als de gezondheidsagenda remt.
Hier liggen twee systemen op ramkoers: een woningbouwopgave die snel moet, en een pesticidenbeoordeling die langzaam reageert. De zwaluwen stierven in de tussentijd. Ze hadden de pech dat hun blootstellingsroute niet in de juiste vakjes paste.
Wat we van dit onderzoek kunnen leren, is niet dat alle pesticiden onmiddellijk verboden moeten worden. Het is een preciezere les: een toelating is zo goed als de vragen die erin zijn gesteld. Als de procedure het raam vergeet, weet je niets over wat er door het raam binnenkomt. En in een landschap waar boomgaarden aan tuinen grenzen, is het raam niet het uitzondering. Het is de regel.
Wat nu concreet kan
De oproep van Vogelbescherming tot aanpassing van de toelatingsprocedure is terecht, maar trager dan de urgentie vereist. Intussen zijn er stappen die dichter bij huis liggen. De gemeente West Betuwe is een verkenning gestart naar de toekomst van de fruitteelt en de landbouw in de regio.[6] Die verkenning biedt een opening om drift en blootstellingsroutes als apart aandachtspunt mee te nemen — niet als aanval op telers, maar als voorwaarde voor een teelt die naast woonwijken kan blijven bestaan.
Vraag de gemeente om in die verkenning expliciet te maken welke blootstellingsroutes worden meegewogen bij de beoordeling van spuitzones. Vraag of de nieuwe WUR/RIVM-richtlijnen, die in juli worden verwacht, worden afgewacht voordat nieuwe bouwlocaties naast fruitpercelen worden goedgekeurd. Dat is geen blokkade van de woningbouw. Het is voorkomen dat we over vijf jaar opnieuw constateren dat de test het raam had vergeten.