Ergens tussen Beesd en Herwijnen staat deze week een bakje druiven op een keukentafel. Iemand heeft het meegenomen uit de supermarkt, iemand anders eet er staand een handvol van. Er bestaat weinig onschuldigers dan een bakje druiven.
Maandag publiceerde Pesticide Action Network Netherlands een nieuwe PesticidenEetwijzer, gebaseerd op de residumetingen die de NVWA tussen 2023 en 2025 in supermarkten deed. Spinazie is de nieuwe koploper onder de groenten, citrusfruit onder het fruit. Maar het cijfer dat blijft hangen staat verderop: in één monster druiven werden twintig verschillende bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Een record. Het bakje werd niet teruggeroepen — en dat kón ook niet. Er zijn normen voor de hoeveelheid van elk middel afzonderlijk, en er is geen norm voor de combinatie.[1]
Dat is geen supermarktprobleem. Het is de constructie waarop ons hele beschermingssysteem rust, en die constructie geldt net zo goed voor de lucht boven onze tuinen, voor de sloot achter het perceel en voor de grond waarin kinderen graven.
Elk middel krijgt zijn eigen dossier
Een werkzame stof komt de markt op via een eigen dossier, een eigen beoordeling en een eigen norm, met een veiligheidsmarge erin verwerkt. Dat is zorgvuldig werk, en de aanname erachter is verleidelijk logisch: als iedere stof afzonderlijk onder zijn eigen grens blijft, dan blijft ook het geheel binnen de perken.
Die aanname klopt niet. Toen het Ctgb eerder deze maand door de rechter werd teruggefloten over het schimmelmiddel Pitcher, ging het over één werkzame stof — fludioxonil. Inmiddels beoordeelt het college ruim twintig andere toegelaten middelen opnieuw, om de eenvoudige reden dat er dezelfde stof in zit.[2] Zelfs de correctie verloopt dus stof voor stof, dossier voor dossier. Niemand keurt het bakje.
Dit is uitdrukkelijk geen verwijt aan de teler die hier naast u woont. Hij gebruikt middelen die stuk voor stuk zijn toegelaten, in doseringen die zijn goedgekeurd, met apparatuur die aan de eisen voldoet. Precies daar zit het ongemak: iedereen kan zich keurig aan de regels houden terwijl het opgetelde resultaat door niemand wordt getoetst.
Meer dan een op de vijf meetpunten
Hoe groot dat gat is, is geen kwestie van vermoeden. Onderzoekers van het Centrum voor Milieuwetenschappen in Leiden berekenden samen met het RIVM de gevolgen van mengsels van bestrijdingsmiddelen in het Nederlandse oppervlaktewater, op basis van meetgegevens van de waterschappen en Rijkswaterstaat: honderden stoffen, honderden locaties.
Hun uitkomst: in 2022 was op meer dan twintig procent van de meetpunten waar géén enkele norm werd overschreden de toxische druk even hoog als — of hoger dan — op meetpunten waar dat wél gebeurde.[3] Theoretisch ecoloog Marco Visser vatte het droog samen: kijk je naar afzonderlijke stoffen, dan lijkt het water geleidelijk schoner te worden; kijk je naar de gezamenlijke werking van alles wat erin zit, dan blijft de gifdruk hardnekkig hoog.
Lees die zin nog eens met een gemeentelijke bril op. "Geen normoverschrijdingen" is precies het antwoord dat een raadslid krijgt als het naar de waterkwaliteit vraagt. Het antwoord is waar. Het is alleen geen antwoord op de vraag.
Onze gemeente is ook een bakje
Wie in West Betuwe woont, krijgt zijn blootstelling niet als losse stof aangeleverd. Een boomgaard doorloopt in een seizoen een schema van opeenvolgende middelen. De lucht boven een tuin aan de rand van een perceel is de optelling daarvan, net als de berm, de sloot en de sla in de moestuin. De gemeente is, chemisch gesproken, één bakje.
Dat maakt het extra ongemakkelijk dat het convenant gewasbescherming dat het kabinet en de sector op 14 juli ondertekenden juist beoogt een einde te maken aan lokale regels.[4] Negen maatschappelijke organisaties, waaronder de Parkinson Vereniging, riepen de staatssecretaris begin augustus op er alsnog mee te stoppen.[5] Want het bestuurslaagje dat als enige weet welke boomgaard aan welke straat grenst, is precies het laagje dat wordt gevraagd zijn potlood neer te leggen.
Drie dingen kan deze raad wel doen, en geen ervan vereist Den Haag. Vraag het college de mengseltoxiciteit van de meetpunten in West Betuwe op bij Waterschap Rivierenland en de Bestrijdingsmiddelenatlas, en laat die per meetpunt publiceren — niet alleen het aantal normoverschrijdingen. Stel bij elk spuitzone- of bestemmingsbesluit niet de vraag welk middel is toegelaten, maar wat er in één seizoen op één plek bij elkaar komt. En laat de gemeente zich niet binden aan afspraken die haar eigen afwegingsruimte wegnemen zolang niemand het geheel toetst.
Het beeld is trouwens niet louter somber: op Hollandse aardbeien werd deze zomer voor het eerst ongeveer een halvering van het aantal residuen gemeten.[6] Het kan dus. Alleen niet zolang we blijven tellen alsof alles apart wordt gegeten.
Het bakje op die keukentafel is intussen leeg. Er is niets misgegaan, en niemand heeft iets overtreden.