Aan de rand van een dorp in West Betuwe staat een basisschool met de rug naar een perenboomgaard. Tussen het schoolplein en de eerste bomenrij staat een hek van anderhalve meter: gaas, twee stalen palen, een poortje dat met een haakje dichtklikt. Dat hek houdt een voetbal tegen, een hond, een kleuter die achter die bal aan rent. Eind april, als de bomen bloeien en de spuit tussen de rijen door rijdt, houdt het niets tegen. Een fijne nevel kent geen gaas.

Het hek dat het ene wél en het andere niet tegenhoudt — het is een bruikbaar beeld, want het legt de denkfout bloot waar het hier om draait. We hebben rond de boomgaard talloze grenzen getrokken: perceelsgrenzen, eigendomsgrenzen, de befaamde vijftig meter spuitvrije zone die bij nieuwbouw wordt aangehouden.[1] Alleen de grens die er het meest toe doet, is nooit getrokken: die rond het kind.

De grens die nooit werd getrokken

Dat is geen stijlfiguur. Het staat, in ambtelijk proza, in het verantwoordingsonderzoek dat de Algemene Rekenkamer op 20 mei publiceerde. De rijksoverheid, schrijft de Rekenkamer, heeft "geen regels vastgelegd wat kwetsbare gebieden voor gewasbeschermingsmiddelen zijn en hoeveel afstand tot deze gebieden gehouden moet worden bij het spuiten".[2] In gewone taal: nergens is bepaald dat een schoolplein, een kinderdagverblijf of een speeltuin een plek is waar je niet vlak naast spuit. Terloops noteert de Rekenkamer er ook nog bij dat er "aanwijzingen" zijn voor een mogelijke relatie tussen blootstelling aan deze middelen en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen.[2]

De toezichthouder — de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit — kan bovendien zeven van de veertien belangrijke gebruiksregels moeilijk of niet controleren. De naleving lag vorig jaar op 68 procent, ruim onder de 90 procent die de overheid zichzelf ooit als doel stelde en die ze in 2025 stilletjes heeft losgelaten.[2] Het hek staat er dus wel, maar niemand kijkt of de poort dichtzit.

Wat onder het hek door sijpelt

Dan is er nog wat het hek aan de onderkant passeert. Op 10 juni classificeerde het Europees Agentschap voor chemische stoffen de stof TFA — trifluorazijnzuur — officieel als giftig voor de voortplanting: ze kan, in de woorden van het agentschap, "het ongeboren kind schaden".[3] TFA is een afbraakproduct van vrijwel alle PFAS-pesticiden, een zogenoemde 'forever chemical' die zich in grond- en drinkwater ophoopt en daar niet meer uit verdwijnt. De schade is het grootst, aldus de wetenschappers, in precies de periode waarin een mens zich het snelst ontwikkelt: de zwangerschap en de eerste levensjaren.[3]

Een boomgaard heeft een tijdshorizon van een jaar of veertien; een 'forever chemical' heeft er geen. Het kind op dat schoolplein drinkt straks water waarin iets zit dat werd gespoten voordat het geboren was. De bal ketst af, de nevel waait eroverheen, het water sijpelt eronderdoor. Drie keer hetzelfde hek, drie keer hetzelfde resultaat.

Een lijn die een gemeente zelf kan zetten

Hier hoort geen verhaal van schurken bij. De fruitteler die eind april spuit, doet wat is toegestaan, met toegelaten middelen, op het moment dat het seizoen voorschrijft. Het probleem is niet zijn kwade wil; het probleem is dat de lijn rond het kind nooit door iemand is gezet. De Gezondheidsraad drong al in 2014 aan op voorzorg en meer onderzoek, en wees er toen al op dat juist over kwetsbare groepen zoals jonge kinderen het minste bekend was.[4] Twaalf jaar later wachten we nog op de landelijke maat.

Wachten is precies wat staatssecretaris Erkens de gemeenten vraagt: stilzitten tot het convenant gewasbescherming er is.[5] Maar West Betuwe hoeft niet te wachten. De Limburgse gemeente Peel en Maas stelde, bij gebrek aan rijksregels, gewoon zelf een afwegingskader vast: vijftig meter als uitgangspunt, afwijken alleen met locatiespecifiek onderzoek.[6] Een gemeente die wíl, kan zelf bepalen wat in West Betuwe een kwetsbaar gebied is — en een school, een kinderdagverblijf, een speeltuin bovenaan dat lijstje zetten.

Onderzoekers van Wageningen en het RIVM komen deze zomer met nieuwe richtlijnen; mogelijk blijkt vijftig meter bij fruitteelt eerder te weinig dan te veel.[1] Tot die tijd is er één eenvoudige vraag die elk raadslid in West Betuwe zichzelf kan stellen, en die wij hun mogen blijven stellen: rond welke plekken in onze gemeente trekken we als eerste een lijn? Begin bij het hek waar de jassen aan de haakjes hangen.