Er is iets vreemds aan de hand in West Betuwe. De rechter heeft gesproken, de wetgever heeft geleverd, de wetenschap heeft gewogen — en toch blijft het stil. Te stil.
Vorig jaar april oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat gemeenten beperkende regels mogen stellen aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen.[1] Niet vrijblijvend, niet als suggestie, maar als recht. De zogeheten «lelieteeltruimte» — het juridische vacuüm waarin telers zich jarenlang verschuilden — werd met één pennenstreek teruggebracht tot wat zij altijd had moeten zijn: een uitzondering, geen vrijbrief.
Urgenda en Natuur & Milieu publiceerden vorig jaar een gedetailleerde handleiding voor gemeenten. Bufferzones, middelenverboden, teeltbeperkingen — het instrumentarium ligt klaar.[2] De juridische basis is er. Wat ontbreekt, is de politieke wil.
De vrees voor het landbouwblok
In West Betuwe is de landbouw een machtige speler, en niet zonder reden: de fruitteelt vormt de economische ruggengraat van de streek. Maar ergens is het debat vastgelopen in een vals dilemma — alsof er gekozen zou moeten worden tussen een bloeiende sector en een gezonde leefomgeving. Alsof het een óf het ander is.
Het een sluit het ander niet uit. De biologische fruitteelt in Nederland groeit — langzaam, maar gestaag.[3] En vergeet niet: telers zelf ademen dezelfde lucht, drinken hetzelfde water en zien hun kinderen spelen op dezelfde gazons als hun buren. Gifvrije teelt is geen aanval op de boer. Zij is een omarming van een toekomstbestendige landbouw.
Maar voor het zover is, moet iemand de eerste stap zetten. En degene die dat doet, wordt niet beoordeeld op zijn moed, maar op zijn lef.
Wat West Betuwe kan doen
Gemeente Westerveld liet in Drenthe zien hoe het kan: een lelievrije zone rond woonkernen.[4] Geen revolutie, een millimeter. Maar het was íets — een klein, tastbaar signaal van «wij beschermen onze burgers». Precies wat een gemeenteraad behoort te doen.
West Betuwe hoeft niet meteen alle pesticiden te verbieden. Er zijn tussenstappen te over: een notificatiesysteem zodat omwonenden weten wanneer er wordt gespoten, een ruimere bufferzone rond scholen, een fonds voor telers die willen omschakelen naar biologische teelt, of — minimaal — een openbaar register van welke middelen waar worden ingezet.
Elk van deze maatregelen is haalbaar. Geen ervan vraagt een heroïsche ommezwaai. Wat zij vragen, is iets wat in de politiek zeldzaam is geworden: het kiezen van een richting.
De nieuwe raad, dezelfde vraag
Bijna twee maanden geleden kozen de West-Betuwenaren een nieuwe gemeenteraad. De coalitie is gevormd, de wethouders zijn verdeeld en de eerste raadsvergaderingen liggen achter ons. Maar het pesticidenbeleid — het onderwerp waar tijdens de campagne zoveel omheen werd gedraaid — staat niet op de agenda. Hoogstens als bijzin, als randvoorwaarde, als «we kijken ernaar».
Dat is niet goed genoeg. Niet voor de 90.000 Nederlanders die binnen vijftig meter van een bespoten perceel wonen.[5] Niet voor de kinderen in de Betuwe wier longen zich ontwikkelen in een wolk van drift. Niet voor de boeren die al jaren laten weten dat zij willen veranderen, maar dat de overheid hun daartoe geen handvat aanreikt.
De poort is open. De rechter heeft hem opengezet. De vraag is of onze gekozen vertegenwoordigers de moed hebben om erdoorheen te lopen — of dat zij aan de andere kant blijven staan, naar binnen kijken, en doen alsof zij hem niet zien.
Betuwe Gif Vrij kijkt. En blijft kijken, tot iemand handelt.