Tel eens mee wat er in West Betuwe geteld wordt. De kilo's appel en peer die bij Fruitmasters over de band rollen. De hectares boomgaard, tot op de are nauwkeurig in het kadaster. De liters middel die een teler inkoopt, de bomen per rij, de graden nachtvorst die een oogst kunnen breken. In een fruitstreek wordt vrijwel alles geteld wat geld kost of geld oplevert. Eén ding niet: de mensen die ziek werden.

Ergens in Tricht, Buurmalsen of Beesd woont iemand die dertig jaar op dezelfde boomgaard uitkeek en nu een diagnose heeft — de ziekte van Parkinson, lymfeklierkanker, of een kind dat in zijn ontwikkeling achterblijft. Die persoon komt in geen enkele optelsom voor. Niet omdat de ziekte niet bestaat, maar omdat niemand de som heeft gemaakt.

Het onderzoek dat niet komt

Dat ontbreken is sinds dit voorjaar geen kwestie meer van niet kunnen. Op 31 maart liet het kabinet de Tweede Kamer weten af te zien van een groot, langlopend onderzoek naar de gezondheidseffecten van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Het RIVM had zo'n onderzoek vooraf doorgelicht en noemde het niet alleen haalbaar, maar zelfs de beste methode om de effecten in beeld te krijgen. Het bezwaar was niet wetenschappelijk; het was de prijs — naar schatting 2,5 miljoen euro aan opstartkosten — en de tijd. Het kabinet wacht liever een advies af over de vraag of Parkinson onder agrariërs als beroepsziekte erkend moet worden, verwacht in het najaar.[1]

De Gezondheidsraad adviseerde de overheid eerder al om uit voorzorg de blootstelling aan deze middelen zoveel mogelijk te beperken. Buitenlands onderzoek wijst op een verband tussen blootstelling en aandoeningen als Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen; de Nederlandse cijfers zijn minder eenduidig — juist omdat het grootschalige onderzoek dat ze eenduidig zou máken, telkens wordt uitgesteld.[2] Zo blijft de optelsom open: we kennen de losse getallen, maar niemand zet er een streep onder.

Een advocatenkantoor begint te tellen

In dat vacuüm stapte deze maand een onverwachte partij. Beer Advocaten, een letselschadekantoor, opende een meldpunt voor mensen die mogelijk ziek zijn geworden door bestrijdingsmiddelen: omwonenden van boomgaarden, bollen- en lelievelden, ouders van zieke kinderen, oud-werknemers uit de landbouw. Aanmelden is gratis en vrijblijvend; het kantoor zegt zelf in een "inventarisatiefase" te zitten — het wil eerst in kaart brengen hoeveel mensen dit overkomt en onder welke omstandigheden zij ziek werden.[3]

Lees die zin nog eens. De eerste partij die in deze streek de zieken systematisch bij elkaar optelt, is geen instituut voor volksgezondheid, maar een advocatenkantoor dat aansprakelijkheid onderzoekt. Niet omdat juristen de aangewezen tellers zijn, maar omdat zij de enigen bleken die de moeite namen. De optelsom die de overheid te duur vond, wordt nu gemaakt door wie er belang bij heeft haar te maken.

Dat het kantoor ook kijkt naar de aansprakelijkheid van gebruikers, producenten en distributeurs, maakt sommigen kopschuw — alsof de teler in het beklaagdenbankje wordt gezet. Maar de spanning in West Betuwe is nooit boer-tegen-burger geweest. De teler ademt dezelfde lucht en drinkt hetzelfde water als zijn buren. Het probleem zit een verdieping hoger: in een systeem dat een middel toelaat, de schade niet telt, en de bewijslast vervolgens bij de zieke neerlegt.

Wat de rechter al zag

Dat dat systeem rammelt, stelde vorig jaar al een rechter vast. In juli 2025 verbood het gerechtshof in Den Bosch een lelieteler bij het Limburgse Sevenum om vlak bij woningen nog langer bepaalde middelen te gebruiken — een zorgplicht die geldt tot op zeker 250 meter van omwonenden.[4] Het hof was opvallend scherp over de Nederlandse toelating: het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) weegt het risico op neurologische ziekten als Parkinson onvoldoende mee. De rechter zette, kortom, een getal in de som dat de overheid er niet in wilde zetten.

Daar komt de bevinding van de Algemene Rekenkamer bovenop. Van de veertien belangrijkste gebruiksregels kan toezichthouder NVWA er zeven moeilijk of niet controleren, en de naleving bleef in 2025 steken op 68 procent — ruim onder de beoogde 90 procent. De Rekenkamer wijst zelf op aanwijzingen voor een verband tussen blootstelling en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen.[5] Een streep onder een som die niet klopt, is ook een uitkomst.

Wie houdt in West Betuwe de boeken bij

Hier hoeft West Betuwe niet op Den Haag te wachten. De gemeente is dit jaar een verkenning gestart naar de toekomst van de fruitteelt en de landbouw, met het pesticidengebruik nadrukkelijk als onderdeel van de duurzaamheidsopgave.[6] Vraag uw raad om in die verkenning niet alleen over hectares en rendement te praten, maar de gezondheid van omwonenden als een eigen, telbare post op te nemen: een lokale nulmeting, samen met de GGD, van wie er rond de boomgaarden woont en met welke klachten.

En tot die som er is, kunt u zelf een cijfer toevoegen. Bent u, of is iemand in uw straat, mogelijk ziek geworden naast een perceel? Meld het — bij het meldpunt, bij de GGD, bij uw raadslid. Niet om de teler aan te klagen, maar om de zieke eindelijk te laten meetellen. Want de optelsom wordt hoe dan ook een keer gemaakt. De enige open vraag is of West Betuwe zelf de pen oppakt, of wacht tot een ander het totaal onder onze neus legt.